Soul of India – Independent cinema vs. Bollywood

debatOp zaterdag 13 augustus 2011, na vertoning van de film I Am, vond in Rialto het debat plaats over Indiase onafhankelijke cinema. Het debat werd gevoerd onder leiding van curator Meenakshi Shedde, die het programma Soul of India samenstelde. Verder waren vier regisseurs aanwezig die hun meningen en ervaringen deelden met het aanwezige publiek: 

Aamir Bashir (Harud), Kaushik Mukherjee (Gandu), Prashant Bhargava (Patang) en Onir (I Am).

Shedde begon met een inleiding over filmproductie in India en met een vraag aan elke regisseur, zodat ieder van hen de tijd kreeg om meer te vertellen over het filmproces en over ieders motivatie voor het maken van de films. Daardoor werd het debat in de eerste instantie een soort uitgebreide Q&A, zonder veel discussie, maar met des te meer achtergrondinformatie over elke regisseur.

Bashir: ‘Politiek is voor mij een fundamentele drijfveer. Ik kom zelf uit Kashmir, de regio waar mijn film Harud over gaat. Ik ben er begonnen te filmen zonder script, zonder deadline en zonder agenda. Daardoor konden we een puur verhaal neerzetten. Op een gegeven moment merkte ik dat ik een draaiboek dacht te schrijven, totdat ik merkte dat het eigenlijk andersom was: het draaiboek schreef en beïnvloedde ons als het ware. Dat was interessant om te merken. Kashmir is namelijk een ontzettend gespannen omgeving, de mensen zijn erg wantrouwend. Je wordt steeds in de gaten gehouden. Dat maakte het filmen er niet makkelijker op. Het filmproces werd daardoor bepaald door de omstandigheden. Ik filmde niet met een bepaald publiek in mijn achterhoofd, of met een distributeur of festival. Alles ontstond in het moment op die plek. Ondanks de omstandigheden hebben we toch de film kunnen maken zoals wij dat wilden, en zijn daar erg blij om.
Mijn grootste probleem met mainstream Indiase films, is dat ze geen roots lijken te hebben. Het kan zich overal afspelen. Dat wilde ik anders doen, door trouw te blijven aan de plaats waar ik filmde, het daadwerkelijk te willen tonen.
Zelf ben ik in 1990 naar Delhi verhuisd om te studeren, en heb daardoor de conflicten en aanslagen niet zelf meegemaakt. Wel merk ik dat Kashmir in alles mijn referentiekader vormt. Delhi was zo’n andere omgeving. Als ik iets verzin, ergens over droom, dan zie ik altijd Kashmir voor me omdat dat is waar ik vandaan kom.
Toen ik er in 2003 weer was, merkte ik dat iedereen het over mobiele telefoons had. Dat was toen voor de mensen echt iets nieuws, terwijl de rest van India al 10 jaar met mobiels rondliep. De mensen waren er zo vol van, en ik vond het zo raar, want in de grote stad was de mobiel de normaalste zaak van de wereld. Toen realiseerde ik me hoe anders het leven in Kashmir was, en hoe onzeker de mensen waren. Ze konden elkaar niet even bellen om te vragen of alles goed was, als er weer eens iets was gebeurd. Die gewaarwording was voor mij wel een trigger om Harud te willen maken.’

Mukherjee, de maker van de controversiële film Gandu, hield zich voorheen meer bezig met muziek. Shedde vraagt hoe zijn overstap naar filmmaken verliep en hoe Gandu tot stand kwam.
Mukherjee: ‘Ik besloot eigenlijk pas laat om films te willen maken, en het gebeurde ook min of meer toevallig. Ik vond een aantal shockerende films in een videotheek in Colombo (hoofdstad van Sri Lanka) die me intrigeerden, waaronder van Lars von Trier. Ik had geen idee wie hij was, maar raakte geïntrigeerd door zijn werk en waarom hij deze films maakte. Dit postmoderne genre kende men in India niet. Ik wilde dit soort dingen ook maken…. En nu zit ik hier, dit is zo raar! Filmmaken draait om illusies, het leven zelf is een illusie.
Voorheen werkte ik een paar jaar in de reclamewereld, maar was dat helemaal zat. Toen ik over filmmaken begon na te denken, kon ik de Indiase entertainmentcinema niet rijmen met mijn ideeën. In eerste instantie was muziek mijn enige vertrekpunt. In Kolkata ging ik naar een optreden van een lokale rockband, waar een van mijn vrienden in speelde. Ik had een vunzige rap geschreven die we voor de gein opnamen, en zo ontstond een track. En na de track ontstond het idee voor de film. Het is zo eigenlijk organisch ontstaan, bijna zonder enige controle te hebben over het proces. Mijn werk draait rondom muziek, identiteit en sexualiteit. Toen we begonnen met filmen, besloot ik dat we grensverleggend te werk gingen zonder enige vorm van regels. De enige regel was dat er geen regels waren.’

Shedde vraagt hoe hij te werk ging om seksscènes te filmen, wat in Indiase films absoluut not done is.
Mukherjee: ‘De crew en ik wisten bij voorbaat dat we een goede expliciete scène wilden invoegen. We hadden een eigen pornocollectie die we aan de acteurs uitleenden. Daarmee konden ze zich voorbereiden. Het gebeurde wel dat een acteur tijdens een shoot niks presteerde, terwijl zijn tegenspeelster halfnaakt voor hem zat. Dan vertelden we grappige anekdotes over Marlon Brando, die ‘m tijdens het filmen ook niet omhoog kreeg. Nadat we wat geintjes maakten en de acteur even alleen lieten, konden we de scène wel zo opnemen zoals we wilden. We hebben er allemaal plezier om gehad. Mensen vragen vaak wel in Q&A’s hoe we Indiase acteurs zover hebben gekregen om dit te doen. Het kwam simpelweg omdat we zonder regels werkten en de acteurs geen enkele vorm van arbeidsvoorwaarden gaven.’

Onir‘s film I Am is geheel bekostigd dankzij crowdfunding, waarbij individuele kleine bijdrages via social media werden gedoneerd. Onir heeft hiermee een unieke basis gecreëerd voor het maken van zijn film. Shedde vraagt hem wat meer te vertellen over de voor- en nadelen van crowdfunding.
Onir: ‘Eerst wilde ik vier aparte films maken, maar dat leek haast onhaalbaar. Daarom maakte ik een film met vier verschillende verhalen. Door facebook en twitter heb ik ontdekt dat er zoveel mensen zijn die nieuwsgierig zijn naar het proces van filmmaken. Ze willen er op een of andere manier bij betrokken raken. Aan de ene kant is het natuurlijk geen transparant proces, de donateurs wisten namelijk niet hoe het eindresultaat zou worden. Toch wilde men bijdragen, in tegenstelling tot de distributeurs die ik kende. Die bleven me vertellen dat er toch geen publiek bestond voor mijn films. Thema’s zoals homoseksualiteit en kindermisbruik, daar willen ze hun vingers niet aan branden.
Nadat ik besloot om op facebook een oproep te plaatsen om een verhaal over kindermisbruik te verfilmen, gebeurde het volgende. Een jongen stuurde me 15 dollar, met een kort bericht erbij. Hij vertelde dat hij zijn zakgeld wilde inleggen, dat hij zelf zes jaar lang was misbruikt, hij wilde dat die film er kwam. Die eerste 15 euro van die jongen gaf mij het groene licht. Het was een teken dat ik ervoor moest gaan.
Vervolgens ging het balletje rollen, kreeg ik meer donateurs en kon ik aan de slag. Natuurlijk was ik soms bang dat het proces halverwege stil zou komen te liggen. Ik bedacht me dat mensen op de hoogte moesten blijven van wat er met hun geld gebeurde. Op een gegeven moment zat ik dagelijks minstens 3 uur op facebook om de mensen te updaten, om even een foto te uploaden, een verhaaltje te typen. Alles om de mensen te laten zien wat de vorderingen van de film waren. Ook vrijwilligers meldden zich, die wilden helpen op de set.
Uiteindelijk heb ik de film in 24 dagen kunnen opnemen. Draaien in Bombay kost veel geld, en op de laatste dag begon het te regenen, waardoor we niet verder konden. En het geld was op. Ik was ten einde raad en schreef in mijn facebookstatus dat er nog 1 draaidag tekort kwam, die verpest werd door de regen. Prompt kreeg ik 30 reacties van mensen die zeiden: wacht tot je verder kan filmen en draai dan de laatste dag, wij helpen je wel.
De manier waarop deze film tot stand is gekomen heeft mij zo versterkt. Temeer daar ik erg werd tegengewerkt door mensen uit de filmindustrie. Die geloofden niet in mijn ideeën en ik kreeg er geen steun. Maar via de social media heb ik support gekregen van jong tot oud, van verschillende werelddelen. De jongste donateur was een 16-jarige scholier en de oudste een 82-jarige vrouw uit Kashmir, die in Florida woont. Met alle mensen die achter mij stonden kreeg ik de moed om door te gaan met het project. En de donateurs stelden geen eisen aan hoe ik te werk moest gaan. Ze vertrouwden mijn idee en ik kon aan de slag. Het heeft me echt veel kracht gegeven.

Toen het eenmaal af was, stond ik voor een volgend groot probleem, namelijk het uitbrengen van de film. Dat kost namelijk minstens zoveel als het maken van de film. In India zijn er geen filmhuizen waar cultfilms worden vertoond. Je hebt connecties nodig om je films vertoond te krijgen, en daar was ik niet op voorbereid. Het frustrerende is dat er zoveel Bollywoodfilms zijn die enorme verliezen lijden terwijl er zoveel geld in wordt gepompt. Het bedrag wat ik nodig had was daar maar een fractie van, maar geen enkele distributeur wil investeren in een film die niet tot de mainstream behoort. En de Indiase diaspora, de Indiërs die in andere landen wonen, willen ook alleen maar naar Bollywoodfilms kijken. Dat maakt het moeilijk om dit soort films echt doorgang te geven.’

Shedde vraagt vervolgens Bhargava om meer te vertellen over de integere en sfeervolle manier van storytelling die hij in zijn film Patang heeft weten neer te zetten.
Bhargava: ‘Vroeger zag ik hoe mijn ooms gingen vliegeren en daarbij alles leken te vergeten. De tijd leek stil te staan als ze daarmee bezig weren. Het vliegeren was bijna een kunst op zich, een meditatie. Voor het filmen ben ik op aanraden van mijn neef naar Ahmedabad gegaan. Het jaarlijkse vliegerfestival dat daar plaatsvindt is een feestdag waarop mensen plezier hebben: hindu’s, moslims, jong en oud. Ahmedabad is een stad waar een tijd geleden rassenrellen hebben plaatsgevonden en ook een natuurramp. Maar wat mij raakte was de veerkracht van de mensen. De viering van de feestdag maakt hen allemaal tot Gujarati, dat is wat hen bindt.
Zelf ben ik opgegroeid in Chicago en heb dus een totaal andere achtergrond en cultuur. In feite moest ik alles wat ik zelf dacht en vond loslaten om op te kunnen gaan in wat ik wilde filmen. Ik heb de tijd genomen om de mensen goed te leren kennen en wilde in de film vastleggen wat ik daadwerkelijk tegenkwam, in plaats van vooraf bedachte sets creëren.
Negentig procent van de mensen in de film zijn geen acteurs. Maar twee of drie van de acteurs hebben daadwerkelijk het script gelezen. Soms maakten we urenlange takes, zodat de scène zich kon ontvouwen. De jongen die Bobby speelde heeft een aantal dagen in de winkel meegewerkt om in zijn rol te kunnen groeien. De winkelscène is opgenomen op een gewone werkdag, zonder de winkel speciaal af te sluiten of figuranten te gebruiken. En de scène waarin de jongen wordt gekust, was daadwerkelijk zijn eerste real-life kus. Door de personen en de omgeving niet te manipuleren kon ik een echte sfeer tot stand brengen. Ik had geen shortlist of bepaalde doelen die ik de acteurs wilde opleggen. Ik zette ze in de situaties die bij hun personage hoorden en liet ze langzaam groeien in de rol.’

Dan komt Shedde terug op de bloedige rellen die jaren geleden hebben plaatsgevonden in Ahmedabad en zegt dat deze bijna niet worden genoemd in films, hooguit soms in literatuur. Ze vraagt Bhargava of hij de impact van de rellen nog voelde in de stad, en waarom hij het niet in zijn film heeft laten terugkomen.

Bhargava: ‘Je voelt de impact nog altijd. Er zijn hindu- en moslimbuurten, en aan de honden merk je dat ze ‘s nachts hun buurten verdedigen. Als je in een buurt bent voel je je ook soort van ingesloten of beschermd tegenover de aangrenzende buurt.
Als ik kijk naar het karakter van de stad, dan zie ik deze film als een soort volkslied. Zoals in de film ook wordt gezegd: wij houden niet bedroefd vast aan ons verleden. We houden vast aan ons kleine geluk. Dat is wat ik ook wilde laten zien in de film. Ja, er is veel gebeurd in Ahmedabad. Maar als ik in New York rondloop, dan denk ik ook niet constant aan 9/11. In het westen wordt er wel veel op teruggekeken op zulke gebeurtenissen, er worden jaarlijkse herdenkingen gehouden. Alles om niet te vergeten wat er is gebeurd. In Ahmedabad is dat andersom. De mensen denken aan hoe ze vooral vooruit moeten kijken, zonder elkaar steeds te herinneren aan het leed.’

Een paar mensen uit het publiek vragen hoe de films worden gedistribueerd, zowel hier als in India. Dan komt het gesprek terug op het probleem dat alle regisseurs al even noemden, namelijk dat de meeste distributeurs niks zien in onafhankelijke Indiase films.

Raymond Walravens – Directeur Rialto en curator World Cinema Amsterdam: ‘In Nederland is er lang geen onafhankelijke Indiase cinema getoond. Op festivals wordt zoals deze wordt het natuurlijk wel geprogrammeerd. En sommige instituten zoals het Eye-instituut vertoont ook wel wat Indiase films, al zijn dat meer Bollywoodfilms. Vanuit het festival wordt geprobeerd om distributeurs te vinden die de onafhankelijke films willen kopen. Maar het is belangrijk dat de filmmakers eerst wat meer naamsbekendheid krijgen, en dat zal wat tijd overheen moeten gaan. Een festival zoals deze kan een vertrekpunt daarvoor zijn.’

Bashir: ‘Zoals ik eerder al noemde, is het een probleem waar we steeds tegenaan lopen. Het is echt ellebogenwerk met de grote namen in de industrie. Zelfs als onze films veel worden vertoond op festivals, dan betekent dat niet dat er automatisch deuren worden geopend. Het is soms zelfs zo dat het label ‘festivalfilm’ in India averechts werkt, juist omdat het geen mainstream is.
Soms lijkt het allemaal onmogelijk. Maar het distribueren is een proces op zich waar we ons in moeten leren bewegen. We worden gedwongen om buiten India fondsen aan te vragen, zoals het Hubert Balsfonds. Vanuit de Indiase regering zijn er wel wat onafhankelijke films gesteund, die vervolgens nooit worden gedistribueerd. In plaats van te investeren in het maken van deze films, moet er eerst geld gestoken worden in plekken waar alternatieve films kunnen worden vertoond, want de bioscopen draaien alleen maar Bollywood.’

Bhargava: ‘Ik ben naar Mumbai gegaan om te kijken wat er mogelijk was aan distributie, nadat Patang op het filmfestival van Berlijn goed was ontvangen. Er waren wel mensen in de industrie die geraakt waren door de film, maar die zeiden dan: ‘we willen je film wel vertonen, maar het is voor ons een risico. Je moet zelf de posters en reclame financieren.’ Terwijl de PR eigenlijk net zoveel kost als het maken van de film zelf. Dat maakt het moeilijk, omdat er geen budget is.
Ik heb de film toegankelijk willen maken voor een breed publiek door de tracks die ik heb gebruikt en door tradities te tonen. Maar distributeurs blijven verwachten dat je je nóg meer voegt naar hun standaarden, het is nooit genoeg.
Op internationaal niveau werkt het ook tegen dat Indiase cinema een slechte naam heeft. Op de grote festivals heeft men in het algemeen lage verwachtingen van Indiase films. Zelfs landen als Korea, China, Mexico hebben een lange geschiedenis van waarheidsgetrouw filmmaken, India heeft dat niet. Een film zoals Gandu is echt iets nieuws, men verwacht dat soort dingen niet van een Indiase filmmaker. Als ik naar Gandu kijk zie ik een authentieke film, maar als ik erover hoor praten in internationale kringen, dan gaat het vooral over hoe anders deze film is dan andere Indiase films. De verwachtingen gaan eigenlijk niet verder dan het niveau van Slumdog Millionaire.’

Er onstaat iets meer discussie wanneer Shedde dieper ingaat op hoe de regisseurs Bollywood zien. Shedde: ‘Hoe is eigenlijk jullie relatie met Bollywood, is het echt jullie vijand of zijn er ook dingen die je er zelf uit kan halen?’
Mukherjee: Bollywood is een concept, een illusie.
Shedde: ‘Maar Bollywood is zo booming!’
Een vrouw uit het publiek zegt dat ze in Iran is opgegroeid met Bollywoodfilms.

Mukherjee: ‘We leven niet meer in gepolariseerde landen. Op internationaal niveau, met het brede aanbod dat er is, blijkt Bollywood slechts een illusie. Maar doordat er in India niks anders wordt vertoond, verandert er ook niks. Ik begrijp het niet, en ik begrijp ook niet waarom het nodig is om zo’n grote scheiding te maken tussen inhoud en entertainment. Dat is de laatste 10 jaar zelfs erger geworden. Bollywood is een van de grootste drijfveren van kapitalisme in India. Dat Bollywood groter en machtiger wordt, dat is in het belang van het kapitalisme. Als we dat willen tegenhouden moeten we er tegen opstaan, en ik ben er klaar voor om dat te doen. Om te zeggen: F*** you. Ik ga het echt doen, binnenkort gaan we t-shirts maken met een F*ck Bollywood-opdruk.’

Uit het publiek komt gelach en appaus. Shedde verschuift de aandacht terug naar Mukherjee’s film: ‘Vertel ons eens hoe je de toekomst ziet voor Gandu? Hoe ga je er publiek voor vinden?’
Mukherjee: ‘Het publiek vindt ons. Er zijn mensen die de film waarderen, en het publiek zal vanzelf komen. Het is een proces, maar het is een kwestie van tijd totdat nieuwe cinema voet aan de grond kan zetten. We moeten blijven onderhandelen. En ik vertrouw op de nieuwe generatie. Wist je dat wel 75% van de Indiase bevolking onder de 25 jaar is? Zij hebben niet die politieke bagage van de huidige generatie. Zij zullen meer openstaan voor andere dingen.’

Vanwege tijdgebrek moest het debat jammer genoeg afronden. Met wat meer tijd was er misschien daadwerkelijk een discussie losgekomen. Aan de ene kant toonde Shedde haar trots voor alle vormen van Indiase cinema inclusief Bollywood, terwijl de regisseurs daar wat gemengde over waren en vooral moeite hadden met de strijd tegen de mainstream. Hierdoor werd duidelijk dat er nog veel ruimte is voor discussie over hoe Indiase onafhankelijke film zijn plek kan verwerven binnen in de overweldigende filmindustrie.